Ik bespreek deze vraag met prof. dr. Wouter Staal. Hij is werkzaam als kinder- en jeugdpsychiater bij het Radboud UMC en Karakter en is daarnaast ambassadeur bij de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) en Balans. Zijn expertise ligt op het gebied van ontwikkelingsstoornissen, met in het bijzonder autismespectrumstoornissen.

Wouter Staal

“Het is belangrijk om het fysieke gevoel van angst te kennen, om de angst van kinderen met ARFID een beetje te kunnen begrijpen.”

Wouter is parttime hoogleraar in Leiden, waar hij een bijzondere leerstoel bekleedt die gericht is op autisme. Ook is hij klinisch hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie in het Radboud UMC en het daaraan verbonden behandelcentrum Karakter en onderzoeker bij het Donders Institute for Brain, Cognition and Behavior van de Radboud Universiteit en bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) en de oudervereniging Balans. “Omdat ik een vrij brede interesse heb, heb ik ervoor gekozen om mijn onderzoek zo breed mogelijk te houden,” vertelt Wouter. “Mijn onderzoek richt zich dan ook op de integratie van genetica, neurobiologie, neuropsychologie, symptomatologie en kwaliteit van leven. Ik vind het heel belangrijk om alle losse onderdelen in het veld samen te brengen en zodoende een steeds beter inzicht in autisme en alles wat daarmee samenhangt, te krijgen.”

Omdat ruim zestig procent van de ARFID-patiënten daarnaast ook autisme heeft ga ik met Wouter in gesprek over psychische kwetsbaarheid, gedragsproblematiek, overprikkeling, autisme, ARFID, angst en vroegkinderlijk trauma.

Psychische kwetsbaarheid

Wouter legt uit dat elk mens een psychische kwetsbaarheid in zich heeft. “In welke mate zich dat zal uiten en onder welke omstandigheden dit naar boven zal komen, verschilt van persoon tot persoon. Er zijn mensen die onder alle omstandigheden overeind blijven staan; hoeveel klappen zij ook krijgen in het leven, zij ontwikkelen geen psychische klachten. Daarnaast bestaat er een groep mensen die een groter risico loopt op het ontwikkelen van psychische problemen. Dat zijn de psychisch kwetsbare mensen en daar schaar ik over het algemeen ook mensen met autisme onder.”

Hij vertelt dat onderzoek heeft aangetoond dat bij de groep mensen die psychisch extra kwetsbaar is, de effecten van de omgeving op de ontwikkeling van psychische problemen heel groot is. “Als een psychisch kwetsbaar persoon allerlei ellenden meemaakt in zijn of haar leven, heb je een grotere kans dat hij of zij een depressie zal ontwikkelen. Maar stel dat de omstandigheden gunstig zijn en het leven gaat voor de wind, dan zul je die kwetsbaarheid niet zien, ondanks dat hij wel degelijk sluimerend aanwezig is.”

Internaliserende en externaliserende gedragsproblemen

“Voor mensen met autisme is het risico op psychische kwetsbaarheid nog groter. Als degene met een extra psychische kwetsbaarheid in omstandigheden komt die ongunstig zijn, kan hij of zij allerlei reactievormen laten zien. Denk hierbij aan sociale teruggetrokkenheid, angst, depressie en psychosomatische klachten.” Dit noem je internaliserend gedrag. Bij internaliserend gedrag is er een ‘overcontrole’ over de emoties; ze worden naar binnen gericht en leiden tot innerlijke onrust. Een onderdeel van de angst die voortkomt uit internaliserend gedrag kan het ontstaan van eetproblemen zoals ARFID zijn.

“Naast internaliserend gedrag kan de psychische kwetsbaarheid zich ook uiten in externaliserend gedrag,” legt Wouter uit. “Hierbij is er weinig controle over de emoties en worden deze uitgeageerd. Typische externaliserende problemen zijn agressie, overactief gedrag en ongehoorzaamheid. Daarnaast is er een derde groep en dat is de groep mensen die zichzelf in moeilijke omstandigheden verliest, in verwarring raakt, of in een psychose terecht komt. Bij overvraging is het goed mogelijk dat er meerdere reacties in een persoon naar boven komen.”

Overprikkeling

Mensen met autisme hebben vaak last van oplopende druk door overvraging en overprikkeling. “Het is belangrijk om in de gaten te houden wanneer gedrag voortkomt uit overvraging of wanneer het gaat om gedrag dat vanuit autisme is ontstaan. In het geval van ARFID moet er onderscheid worden gemaakt tussen eetproblemen die zijn ontstaan door autisme en eetproblemen die zijn ontstaan door een psychische kwetsbaarheid, al dan niet door autisme, waardoor er sprake is van internaliserend gedrag en angsten.”

Voor mensen met autisme kunnen vaste routines en gebruiken rondom het eten, erg belangrijk zijn. “Zodra er van deze routines wordt afgeweken, kan er overprikkeling ontstaan, wat voor eetproblemen kan zorgen. Mensen met autisme zijn extra gevoelig voor het ontwikkelen van eetproblemen, doordat er zoveel verschillende oorzaken en invalshoeken zijn waardoor een eetprobleem kan ontstaan.” Het is van groot belang is om eerst in kaart te brengen waardoor de eetproblemen zijn ontstaan, voordat er aan een behandeling kan worden begonnen.

Een eigen aanpak

“ARFID en autisme zijn twee verschillende dingen.” Wouter benadrukt dat het belangrijk is om te beseffen dat deze twee niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. “Het is belangrijk om een antwoord te krijgen op de volgende vragen: Heeft iemand met autisme ARFID gekregen door overvraging, wat heeft geleid tot internaliserend gedrag? Of: Heeft iemand met autisme ARFID gekregen doordat hij of zij gevoelig of angstig was voor bepaalde textuur van het eten?”

Om welke variant het ook gaat, elke variant heeft een andere aanpak nodig. Hij herinnert zich een voorbeeld uit zijn praktijk: “Ik behandelde een jongen die van zichzelf exact twaalfhonderd calorieën per dag moest eten. Hij was de hele dag druk bezig om dat getal kloppend te krijgen. Ik heb ook een kind behandeld dat vertelde dat zij in paniek raakte als zij eten met een bepaalde structuur in haar mond voelde. De oorzaak van deze eetproblemen is anders en vraagt dan ook een andere aanpak.”

Vroegkinderlijk trauma

Wouter vindt het kwalijk dat ouders die met een hulpvraag komen, van alles in de schoenen geschoven krijgen. “Ik vind het onzin om ouders de schuld te geven van de psychische problemen van een kind. Momenteel is het erg in trek om op zoek te gaan naar vroegkinderlijke trauma’s bij kinderen die te maken hebben met psychische problemen, of in dit geval, met eetproblemen. Ik weet dat er therapeuten zijn die geloven dat een kind een trauma kan hebben, doordat moeder het kind toen het twee maanden oud was een kwartier te laat zijn fles heeft gegeven.”

Wouter gelooft wel dat een kind een trauma kan hebben opgelopen door een angstige gebeurtenis, zoals een ernstige verslikking, maar kan zich niet vinden in de gedachte dat kinderen trauma’s hebben opgelopen doordat een moeder bijvoorbeeld haar kind even heeft laten huilen in de wieg. “Ik wil nogmaals benadrukken dat een kind wordt geboren met een bepaalde psychische kwetsbaarheid, al dan niet genetisch bepaald. Als de juiste ingrediënten aanwezig zijn, zal dit er vroeg of laat uitkomen en daar kun je ouders niet de schuld van geven. Er wordt momenteel nog steeds veel te kritisch naar ouders gewezen en ik zie dat ouders ook vaak te kritisch zijn over zichzelf. Natuurlijk begrijp ik dat ouders willen begrijpen wat er mis is gegaan, maar neem van mij aan dat er niks ‘mis’ is gegaan, maar dat het een kwestie is van aanleg en ‘pech’.”

Onzekerheid

Het valt hem op dat ouders erg onzeker zijn over hun opvoeding. “Ik ontmoet ouders die denken dat ze alles verkeerd doen. Toch kunnen ouders veel meer bij hun kind voor elkaar krijgen, dan ze zelf denken. Zo zie ik dat ouders, zonder dat zij dit zelf beseffen, met succes cognitieve gedragstherapie toepassen bij hun kind. Neem bijvoorbeeld die moeder die met veel liefde en geduld haar kind weet over te halen om een hapje eten te proeven en het vervolgens beloont door samen een spelletje te doen. Dat is precies wat de hulpverlening ook zou doen om een kind te bewegen meer te gaan eten. Het is goed om deze ouders te prijzen en hun onzekerheid weg te nemen.”

Autisme en ARFID

Wouter wil nogmaals benadrukken dat wanneer er bij kinderen met ARFID ook sprake is van autisme, hier rekening mee gehouden moet worden tijdens de behandeling. “Als therapeut is het belangrijk om zo dicht mogelijk bij de oorzaak van de eetstoornis te komen. Als autisme de onderliggende oorzaak van ARFID is, kun je niet alleen ARFID behandelen en hierbij autisme buiten beschouwing laten, want dan is de therapie gedoemd te mislukken.”

Allereerst zal dat om goede diagnostiek vragen, want binnen het autisme spectrum is er veel variatie. “De een heeft last van prikkelgevoeligheid, de ander van starheid en een derde heeft weer integratieproblemen. Daarnaast heb je te maken met variaties in angstniveaus. Het is belangrijk om het fysieke gevoel van angst te kennen, om de angst van kinderen met ARFID een beetje te kunnen begrijpen. Deze kinderen ervaren zoveel angst, dat zij er alles aan zullen doen om hetgeen waar zij zo bang voor zijn te vermijden.”

Angst

“Het is van wezenlijk belang dat therapeuten de angst die kinderen met ARFID ervaren, met begrip benaderen. Uitspraken als: ‘Kom, we gaan het gewoon doen’, vind ik heel storend, want hierdoor wordt duidelijk dat de behandelend therapeut ten diepste geen idee heeft om welke angst het gaat. Angst is in essentie irreëel,” zegt Wouter. “Alleen met kinderen die oud genoeg zijn voor cognitieve gedragstherapie zou je het over deze angst kunnen hebben en hopen dat dit ertoe zal leiden dat het kind gaat inzien dat de angsten die zet heeft inderdaad irreëel zijn.”

Wouter legt uit dat er twee mogelijkheden zijn om kinderen van deze angsten af te helpen. “Ten eerste zou je iemand kunnen blootstellen aan deze angst, zodat hij of zij er op deze manier achter kan komen dat zijn of haar angst irreëel is. De andere route die gebruikt kan worden, is nadenken of de gedachten wel kloppen. Het vervelende van angst is dat het zichzelf gaat uitbreiden. Als je hetgeen waar je bang voor bent gaat vermijden, komt er wel weer iets nieuws waar je bang voor wordt. Zo wordt je leefwereld steeds kleiner en op een dag blijft er niks meer over.” Wouter adviseert dan ook om in een vroeg stadium een grens te stellen aan deze angsten en hiermee aan de slag te gaan. “Ga niet zelf aanmodderen, maar vraag om professionele hulp!”

*Het hele interview met prof. dr. Wouter Staal is te lezen in het boek Over leven met ARFID.

Speelt psychische kwetsbaarheid een rol bij het ontstaan van de eetstoornis ARFID?

Geplaatst in add, adhd, ARFID, autisme, avoidant/restrictive food Intake disorder, eetproblemen, eetproblemenbijautisme, eetstoornissen, Geen categorie, hoog sensitief, onbekende eetstoornis, vermijdende voedselinname stoornis, zintuiglijke overprikkeling

Wat is ARFID?

Bijna alle kinderen komen in een fase terecht dat ze minder eten of bepaald voedsel gaan weigeren. Meestal begint dit rond tweejarige leeftijd en stopt dit voor het zesde levensjaar. Maar wat als deze eetproblemen lichamelijke klachten gaan veroorzaken of steeds erger worden? Wanneer spreek je van ARFID en wanneer gaat het om een tijdelijke fase? Op zoek naar antwoorden ging ik in gesprek met prof. dr. Sandra Mulkens, bijzonder hoogleraar ‘Voedings- en eetstoornissen’ aan de Universiteit Maastricht. Zij is als klinisch psycholoog-psychotherapeut en supervisor werkzaam bij SeysCentra, een behandelcentrum voor kinderen met eetproblemen en onzindelijkheid. Tevens is zij voorzitter van de Nederlandse Academie voor Eetstoornissen (NAE).

Sandra Mulkens

Sandra: “ARFID staat voor ‘Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder’ (Vermijdende/Restrictieve Voedselinnamestoornis) en betekent dat er te weinig en/of zeer selectief wordt gegeten vanwege verminderde interesse in eten, gevoeligheid voor de sensorische kenmerken van eten of irrationele gedachten en/of overtuigingen over (de aversieve gevolgen van) het eten van bepaald voedsel. De diagnose is sinds 2013 opgenomen in het diagnostisch handboek, de DSM-5, onder het hoofdstuk “Voedings- en eetstoornissen.”

Subtypen binnen ARFID

Het eetprobleem dat nu ARFID heet bestaat echter al langer en werd voorheen, in de DSM-IV, geschaard onder de kinderstoornissen, met de naam ‘voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd’. Sandra: “Eén van de criteria was dat deze stoornis voor het zesde levensjaar moest zijn ontstaan. Tegenwoordig is duidelijk dat de symptomen zich ook kunnen ontwikkelen bij kinderen ouder dan zes en bij volwassenen. In de DSM-5 is de leeftijdsrestrictie dan ook weggelaten, dus de diagnose ARFID kan op elke leeftijd worden gesteld.”

Onderzoek heeft uitgewezen dat van ARFID verschillende vormen lijken te bestaan. “Er worden er drie genoemd in het diagnostisch handboek” geeft Sandra aan. “Ten eerste wordt het subtype ‘Lack of Interest’ (verlies van interesse) vermeld. Dit zijn mensen die niet of nauwelijks honger ervaren en simpelweg vergeten om te eten. Zij eten weinig en vaak ook erg langzaam; zij voelen zich doorgaans snel vol. Ten tweede zijn er mensen die de sensorische kenmerken van voedsel niet prettig vinden en moeite hebben met het proberen van nieuwe voedingsmiddelen. Denk hierbij aan de structuur of de smaak en/of kleur van eten. En als laatste is er het subtype waarbij mensen iets niet eten vanwege de aversieve gevolgen hiervan. De angst om te stikken of om over te geven overheerst.” Het kan voorkomen dat mensen met ARFID zich herkennen in meerdere subtypes.

Het laatste subtype, angst voor de aversieve gevolgen, zie je vaker later ontstaan dan de andere twee subtypes. “Volwassenen hebben bijvoorbeeld op latere leeftijd ARFID ontwikkeld vanwege een traumatische ervaring met eten, zoals ernstig verslikken. Het kan ook zijn dat een volwassene zich met ARFID meldt en aangeeft nooit over de fase van ‘moeilijke eter’ te zijn heen gegroeid”, weet Sandra. “Voordat de diagnose ARFID in de DSM-5 werd toegevoegd, werden dergelijke klachten bij een volwassene geduid als ‘een eetstoornis niet anders omschreven’ (NAO) of als een specifieke fobie (bijv. emetofobie, de angst om over te geven)”, legt Sandra uit. “Nu ARFID is opgenomen in de DSM-5 zonder leeftijdsrestrictie en hierdoor een erkende eetstoornis is geworden, voelen cliënten zich beter begrepen en krijgen zij eindelijk de hulp die bij hen past. Er wordt geschat dat een à twee procent van de volwassenen ARFID heeft.”

Comorbiditeit

Comorbiditeit, het tegelijk voorkomen van twee of meer aandoeningen of stoornissen bij één persoon, is een veelvoorkomend verschijnsel. “Dit zien wij ook terug bij mensen met ARFID, want het is gebleken dat ARFID vaak samenhangt met autisme spectrumstoornissen (ASS). De meeste mensen met een autismespectrumstoornis geven aan last te hebben van de sensorische problemen rondom eten. Waarschijnlijk heeft het iets met de ‘sensorische overprikkeling’ te maken”, denkt Sandra. “Zo vinden sommige kinderen met ASS het vanwege sensorische overprikkeling bijvoorbeeld lastig om etiketten in kleding te voelen, dit kan ook het geval zijn bij eten met een bepaalde structuur.”

Sandra geeft aan dat het belangrijk is om te onderzoeken waardoor de eetproblematiek is ontstaan. “Want”, zegt zij: “het kan zijn dat er een autisme spectrumstoornis aan ten grondslag ligt, maar het kan ook zijn dat de eetproblemen zijn ontstaan door een traumatische ervaring vanuit het verleden. Soms is er zelfs sprake van onderontwikkelde motorische vaardigheden, zoals het niet goed kunnen kauwen en/of slikken.” 

Behandeling

“Bij jonge kinderen met ARFID in combinatie met ASS wordt er vaak gebruik gemaakt van Applied Behavior Analysis (ABA). Bij deze vorm van behandelen wordt gewenst gedrag in kleine stapjes bekrachtigd en vindt er veel herhaling plaats”, legt Sandra uit. “Wat opvallend is, is dat kinderen met ARFID vaak ook ouders of broers/zussen hebben met een selectief eetprobleem. ARFID zou dus een genetische component kunnen bevatten, maar dit zou ook te verklaren kunnen zijn door ‘modelleren’, omdat er in dat specifieke gezin niet veel variatie bestaat in het eetpatroon nemen kinderen dit mogelijk over.”

Niet helpende gedachten

“De behandeling van anorexia nervosa en ARFID is in essentie enigszins vergelijkbaar”, constateert Sandra; “er wordt namelijk bij beide soorten eetproblemen vaak gewerkt met ‘exposure’ en ‘cognitieve gedragstherapie’, waarbij de nadruk ligt op het disconfirmeren van de niet-helpende gedachten die je over eten hebt. Bij anorexia nervosa is dat vaak de angst om aan te komen, de controle (over het eten) kwijt te raken en de angst wat het eten met het lichaam doet. Bij ARFID gaat het ook om de angstige verwachtingen rondom het eten, maar dan bijvoorbeeld om de vraag: ‘Hoe erg is het om dat eten in mijn mond te hebben? Kan ik het echt niet of valt het wel mee? Klopt het echt dat dit gevolg (verslikken, kokhalzen, stikken) optreedt als ik dat eet? Als ik me vol voel, betekent dat dan ook dat ik vol ben?’ Sommige mensen hebben bepaald eten zelfs nog nooit geproefd, maar hebben toch de overtuiging dat ze het niet lekker zullen vinden, dat ze ervan gaan overgeven of het niet zullen verdragen en zelfs zullen stikken.”

Sandra legt uit dat deze ‘niet helpende’ gedachten tijdens de therapie worden onderzocht. “Het uiteindelijk doel hiervan is dat er wordt geleerd om het voedsel waar degene met ARFID bang voor is, te leren eten en de irrationele gedachten te weerleggen door ervaringen. Wanneer je vraagt welke ramp er zou kunnen gebeuren als zij dit voedsel eten, zeggen de meesten dat ze ervan overtuigd zijn dat ze het niet lekker zullen vinden. Veelgenoemde andere antwoorden zijn dat zij bang zijn om de controle kwijt te raken of dat het niet fijn aanvoelt. Als therapeut zou je kunnen vragen hoe zij dat weten als zij het nog nooit hebben geproefd”, adviseert Sandra. “Zo probeer je steeds meer tot de kern van de gedachtegang te komen en irrationele gedachten/overtuigingen uit te dagen en wellicht ook te weerleggen.”

Irrationele angst

“Elk mens heeft bepaalde producten die hij of zij minder lekker vindt, maar die we toch eten omdat ze nu eenmaal goed voor ons zijn”, weet Sandra. “Zo wil je bij ARFID het repertoire van producten ook uit gaan breiden en degene zover krijgen dat hij/zij verschillende producten gaat uitproberen, zodat hij/zij ontdekt dat de angst voor dit eten niet rationeel is.

Wat we zien is dat volwassenen met ARFID vaak pas in behandeling komen als zij belemmerd worden bij sociale activiteiten, of lichamelijke klachten beginnen te ontwikkelen. Bij kinderen daarentegen zul je extern moeten motiveren, omdat zij de gevolgen op lange termijn nog niet goed kunnen overzien. De praktijk heeft uitgewezen dat het hierdoor vaak de ouders zijn die hun zorgen uiten en hulp gaan zoeken voor hun kind.”

Intrinsieke motivatie

“De behandeling van iemand met ARFID is afhankelijk van het subtype waar diegene onder valt. Voor iemand die geen honger ervaart is het bijvoorbeeld erg effectief om een eetdagboekje bij te houden en zichzelf actief te herinneren aan eetmomenten”, geeft Sandra mee als tip. “Het is van belang dat diegene vaste eetmomenten aanhoudt en zo nodig opbouwt. Het aanleren van een nieuw eetpatroon en een gedragsverandering bewerkstelligen, kost tijd en moeite. Zolang iemand niet intrinsiek gemotiveerd is om iets te veranderen, zal dit van buitenaf moeten komen. Een beloningssysteem kan hierbij helpen.

Wanneer een patiënt merkt dat hij minder duizelig is en in gewicht is aangekomen dankzij de behandeling, is de kans groot dat hij zelf het belang hiervan gaat inzien”, heeft Sandra in de praktijk gemerkt. “Het is hierbij belangrijk om het onomkeerbare proces van voedingsdeficiënties te belichten”, adviseert Sandra, “het kan namelijk zo zijn dat iemand op een punt komt waarbij het lichaam tekorten niet meer kan compenseren en er serieuze gezondheidsgevolgen kunnen optreden, zoals uitvalsverschijnselen, lichamelijke problemen op latere leeftijd of bijvoorbeeld onvruchtbaarheid. Een bepaalde mate van lijdensdruk is ook effectief; als de patiënt geen lijdensdruk ervaart dan zie je dat zij vaak minder gemotiveerd zijn tijdens de behandeling en gedragsverandering bij hen moeizamer verloopt.”

Verschil tussen anorexia nervosa en ARFID

“In tegenstelling tot bij anorexia nervosa (AN) hoef je bij ARFID geen ondergewicht te hebben om dit te kunnen diagnosticeren”, legt Sandra uit. “Het weinig en/of selectief eten kan daarentegen wel samenhangen met ondergewicht, maar ook met een of meer van de andere factoren zoals onvoldoende groei, een voedingsdeficiëntie of afhankelijkheid van sondevoeding of supplementen, en psychosociale beperking. Bij mensen met ARFID is er geen sprake van een verstoring van het lichaamsbeeld. Het geringe en/of selectieve eetpatroon komt niet voort uit de gedachte af te willen vallen of de angst om aan te komen in gewicht.”

“Zo zijn er mensen die alleen nog maar krokant voedsel willen eten en bij hen kan juist eerder sprake zijn van overgewicht, omdat krokant voedsel vaker de ongezonde vette producten betreft.”  Sandra vertelt dat zij bij mensen met ARFID met regelmaat een voedingsdeficiëntie, zoals een tekort aan vitaminen, mineralen en calcium, tegenkomt. “Ook zien wij regelmatig patiënten waarbij ARFID voor een groeiachterstand heeft gezorgd. Deze lichamelijke gevolgen zie je ook terug bij mensen met anorexia.” 

“Soms is het niet helemaal duidelijk of iemand anorexia nervosa heeft of dat het om ARFID gaat”, geeft Sandra toe. “Iemand met ARFID kan het bijvoorbeeld ook ‘handig gaan vinden om niet aan te komen’ als gevolg van zijn/haar geringe eetgedrag. Het is belangrijk om goed te onderzoeken welke mensen met ARFID een risico lopen om in een later stadium eventueel anorexia nervosa te ontwikkelen, zodat hier tijdig op ingespeeld kan worden.”

Vooroordelen

Zij hoort regelmatig van ouders terug dat mensen om hen heen denken dat zij niet streng genoeg optreden en hun kinderen te veel verwennen. Sandra legt uit dat deze beschuldiging vaak onterecht is: “Ouders van een kind dat aan ARFID lijdt zijn vaak ten einde raad en allang blij als het kind iets aan voeding binnenkrijgt. Het kan zelfs zo zijn dat een kind vanaf de geboorte al aan ARFID lijdt. Zonder de juiste hulp kun je hier niks aan veranderen.” Sandra adviseert ouders dan ook om bij zorgen om de eetproblemen van hun kind op zoek te gaan naar professionele hulp. “Het is namelijk zo dat hoe eerder een kind met eetproblemen geholpen wordt, hoe minder groot de kans is dat dit probleem zo ernstig wordt dat een langdurige behandeling noodzakelijk is.”

Patiënten, naasten en zorgverleners zijn van harte welkom in de besloten facebookgroep van Over leven met ARFID. In deze groep worden, naast kennis, ook ervaringsverhalen gedeeld en kunnen er vragen gesteld worden die door zowel zorgverleners als ervaringsdeskundigen beantwoord worden.

https://www.facebook.com/groups/801998590330867/?ref=share

Podcast Over leven met ARFID

Meer informatie over ARFID is te lezen in het boek Over leven met ARFID (http://aldomanuzio.nl/boeken/9789492600301/over-leven-met-arfid.html)

Of in het boek ARFID te lijf!

(https://www.graviant.nl/arfid-te-lijf.html)


Voor kinderen is er het boek Thijs lust geen ijs

https://www.bol.com/nl/p/thijs-lust-geen-ijs/9300000007986030?referrer=socialshare_pdp_androidapp

Rita Maris, auteur van de boeken Over leven met ARFID, Thijs lust geen ijs en ARFID te lijf!